Hoe staan sportclubs er financieel nu écht voor?

Jan Janssens

Regelmatig wordt onderzoek gedaan naar de financiële positie van sportclubs. Er zijn vele duizenden sportclubs en vele miljoenen mensen zijn daar lid van. De uitkomsten van die onderzoeken halen dan ook steevast de landelijke pers. Eigenlijk worden de uitkomsten van die verschillende onderzoeken nooit naast elkaar gezet en met elkaar vergeleken. Toch is zo’n exercitie wel interessant. Want er zijn opmerkelijke parallellen maar ook grote verschillen. Dat roept natuurlijk vragen op. Hoe kan dat? Wie moeten we geloven? En vooral: hoe staan de sportclubs er nu écht voor?

Drie onderzoeken

In 2015 werden tenminste drie landelijke onderzoeken gepresenteerd waarin de financiën van sportclubs werden onderzocht. Het Mulier instituut bracht in juni een factsheet met resultaten van de verenigingsmonitor naar buiten. Hieruit bleek dat 59% van de verenigingen financieel gezond is, 32% redelijk en 9% ongezond.
In december presenteerden DJV Insights de Sportaanbiedersmonitor en kwam ook het Waarborgfonds Sport met een rapportage over de financiële situatie van sportclubs.
De cijfers die DVJ Insights verzamelde voor NOC*NSF gaven een gunstiger beeld (66% gezond/zeer gezond, 25% redelijk en 8% ongezond/zeer ongezond). Die van het Waarborgfonds staken juist ongunstig af (45% goed/uitstekend, 46% redelijk en 9% matig/problematisch).

Hoewel uit alle drie onderzoeken blijkt dat grofweg één op de tien sportclubs zijn financiën prima op orde heeft, ongeveer evenveel clubs met financiële problemen kampen, en de rest daar tussenin zit, zijn er toch ook grote verschillen te constateren. Om de resultaten van de verschillende onderzoeken goed te kunnen vergelijken splitste het Mulier Instituut op ons verzoek de eerder gepubliceerde cijfers nog iets verder uit. In de tabel hieronder zijn die cijfers van de drie onderzoeken onder elkaar gezet. Zoals hierboven al werd aangegeven verschillen ook de labels van de categorieën enigszins. Wat bij het Mulier instituut zorgwekkend is, noemt DVJ Insights bijvoorbeeld zeer ongezond en het Waarborgfonds problematisch. Terwille van de leesbaarheid zijn hier de labels van één onderzoek (het Waarborgfonds) gehanteerd.

Financiële positie sportclub Problematisch matig redelijk  goed uitstekend
Mulier Instituut 3% 5% 32% 51% 8%
DVJ Insights 2% 6% 25% 55% 11%
Waarborgfonds Sport 2% 7% 46% 35% 10%


Verschillen verklaard

Voor de geconstateerde verschillen zijn verschillende verklaringen te geven. De genoemde verschillen in labelling kunnen een rol spelen. Maar de onderzoeksmethode en de steekproef zijn waarschijnlijk veel belangrijkere factoren.
Zowel het Mulier Instituut als DVJ Insights hebben bestuurders van sportclubs geënquêteerd en hebben daarbij ook vrijwel exact dezelfde vraag gesteld: Hoe beschrijft u de financiële positie van de club? De betreffende onderzoekers hebben de subjectieve oordelen van clubbestuurders geïnventariseerd. Het Waarborgfonds Sport heeft het heel anders aangepakt. Daar heeft men financiële stukken van clubs opgevraagd en onder de loep genomen en op basis van objectieve gegevens (vermogen, liquiditeit, resultatenrekening en meerjarenbegroting) daar zelf een kwalificatie aan gegeven.

Te rooskleurig beeld?

De methode die het Waarborgfonds heeft toegepast levert verreweg de meest valide resultaten. Als de financiën van een club in dat onderzoek als goed worden gekwalificeerd, dan kunnen we ervan uit gaan dat dit klopt. Die beoordeling is gebaseerd op objectieve gegevens en ook nog eens door een objectieve deskundige vastgesteld. Daarmee wordt niet gezegd dat de respondenten van sportclubs niet te vertrouwen zijn in hun beoordeling van de financiële toestand van de club, maar het is een gegeven dat de enquêtevragen lang niet altijd door financieel deskundige bestuurders (zoals de penningmeesters) worden ingevuld. En ook dat veel sportbestuurders al tevreden zijn wanneer de club de eindjes aan elkaar weet te knopen. Reserveren voor onvoorziene omstandigheden of voorzieningen treffen voor toekomstige investeringen, iets wat in een gezonde financiële huishouding eigenlijk wel zou moeten, is bij sportclubs minder gebruikelijk. Als er iets faliekant misgaat of als een club bijvoorbeeld uit zijn jasje groeit en aan een nieuw clubhuis toe is, worden nog wel eens acties op touw gezet om geld bij elkaar te krijgen. Door deze omstandigheden geven de antwoorden op enquêtevragen over de financiën van de sportclubs al gauw een iets te rooskleurig beeld.

Zijn de uitkomsten te generaliseren?

Bij het onderzoek van het Waarborgfonds kunnen overigens ook kanttekeningen worden geplaatst. Die hebben dan vooral te maken met de generaliseerbaarheid van de onderzoeksresultaten. In hoeverre kan het beeld dat oprijst uit de stukken die het Waarborgfonds heeft bestudeerd worden vertaald naar sportclubs in heel Nederland?

De clubs waarvan het Waarborgfonds de stukken heeft, zijn de clubs die bij het fonds om een borgstelling hebben gevraagd. Dat zijn clubs die al een eigen accommodatie hebben of er een gaan krijgen. Dat zijn hoofdzakelijk clubs met buitenaccommodaties. En binnen die categorie zijn het dan de clubs die ambities hebben en mogelijkheden zien voor investering in gebouwen. Om die plannen te verwezenlijken zijn ze (ooit) een lening aangegaan waarbij ze hun gemeente en het Waarborgfonds bereid hebben gevonden  garant te staan voor de afbetaling. Dat ze die garantstelling kregen impliceert eigenlijk al dat die clubs (toentertijd) financieel gezond waren en goede vooruitzichten hadden, anders waren de gemeente en het fonds daar niet in meegegaan. Kortom, de clubs die het Waarborgfonds in zijn onderzoek heeft betrokken vormen allesbehalve een doorsnede van de clubs in Nederland

Ook bij de andere onderzoeken zijn de resultaten gebaseerd op de gegevens van een steekproef. Maar de wijze waarop de steekproeven tot stand zijn gekomen verschilt sterk. Het Mulier Instituut heeft gebruik gemaakt van zijn verenigingspanel.  Daarin zitten circa 1.200 sportverenigingen in alle takken van sport en uit heel het land. Voor de samenstelling van het panel is in eerste instantie een representatieve steekproef van gemeenten genomen. Daar zijn vervolgens alle sportverenigingen benaderd om aan het panel mee te doen. Van de clubs die deel uitmaken van het panel hebben er 477 meegedaan aan de monitor van 2015, dat is een response van 37%. Het kan niet worden uitgesloten dat de non-response voor enige vertekening zorgt. Sportclubs die organisatorische (en waarschijnlijk daardoor ook financiële) problemen zouden wel eens wat minder geneigd kunnen zijn om aan monitoronderzoeken mee te doen. Afgezien daarvan lijken de uitkomsten van de verenigingsmonitor door de samenstelling van het panel en de weging van de respons behoorlijk representatief te zijn voor de sportverenigingen in Nederland.

Die representativiteit is problematischer bij de steekproef die DVJ Insights heeft gehanteerd bij de sportaanbiedersmonitor. Hoewel de naam suggereert dat deze monitor een beeld geeft van de stand van zaken bij alle sportaanbieders, is dat toch niet het geval. Terwijl het SCP schat dat ongeveer 67% van alle sportaanbieders de verenigingsvorm heeft, is dat percentage in de sportaanbiedersmonitor 94%. Het is dus eigenlijk meer een verenigingsmonitor, zoals die van het Mulier Instituut. Maar de rekrutering van sportclubs voor de monitor is heel anders gegaan. Van januari tot en met juli 2015 hebben 428 sportaanbieders gehoor gegeven aan de uitnodiging die via verschillende kanalen is gedaan om mee te doen aan het onderzoek. Kijkend naar de verdeling over de verschillende takken van sport, vormt de onderzoeksgroep zeker geen doorsnede van de populatie. Zo is het opvallend dat vier van de vijf takken van sport die in de Top 5 van de steekproef zitten (badminton, zwemmen, tafeltennis en korfbal) in werkelijkheid niet bij de Top 10 van Nederland horen.

Hoe staat de sportclubs er nu echt voor?

Het onderzoek van het Waarborgfonds is eigenlijk een soort bijvangst. De deskundigen van het fonds verdiepen zich in de financiële ontwikkelingen van de clubs waarvoor zij garant staan in de eerste plaats om de vinger aan de pols te houden. Aan organisatorische en beleidsmatige aspecten van het functioneren van sportclubs schenken zij dan ook geen aandacht. Dat ligt anders voor de onderzoekers van het Mulier Instituut en DJV Insights. In hun monitoronderzoeken passeert een scala aan onderwerpen de revue. Daaraan gaan we in dit artikel voorbij.

Als we louter kijken naar de financiële positie van sportclubs blijft de vraag, hoe zij er nu eigenlijk voorstaan. Het antwoord op die vraag is niet eenvoudig te geven, maar gelet op de hierboven gemaakte kanttekeningen bij de verschillende onderzoeken kan worden verondersteld dat zij allemaal een te positief beeld geven van de werkelijkheid. Dat het minst florissante beeld oprijst uit de rapportage van het Waarborgfonds, terwijl dat fonds de financiën van relatief sterke clubs goed tegen het licht heeft gehouden, geeft te denken. De financiële positie van sportclubs is minder goed dan de cijfers doen vermoeden.

Vergelijkingen in de tijd

Ook al hebben de verschillende onderzoeken methodologische beperkingen, dat wil niet zeggen dat we er niets mee kunnen. De waarde die zij hebben zit vooral in de herhaling van de onderzoeken door de tijd en de trends die daardoor zichtbaar worden. De steekproef en of methode mag dan niet optimaal zijn, als daar consequent aan wordt vastgehouden, kunnen wel belangrijke trends aan het licht komen.

In hoeverre DJV Insights dat in de toekomst kan doen is onduidelijk. De verantwoording van het onderzoek is summier en geeft geen inzicht in de wijze waarop toekomstige metingen worden gedaan. Dat het onderzoeksbureau het hele jaar door gegevens verzamelt en de cijfers uit de eerste helft van 2015 vergelijkt met de gegevens van de sportaanbiedersmonitor van 2012 - die toen nog in hoofdzaak gebaseerd was op de verenigingsmonitor van het Mulier Instituut - is vreemd. De bevindingen van sportclubs uit twee heel verschillend samengestelde steekproeven worden met elkaar vergeleken om trends en ontwikkelingen op het spoor te komen. Het is nog net geen appels met peren vergelijken, maar methodologisch verantwoord is het niet.

Het Waarborgfonds en het Mulier Instituut kunnen de resultaten van hun recente onderzoek wel plaatsen in het perspectief van eerdere metingen die ze hebben gedaan. De ontwikkelingen die zij daarmee aan het licht brengen zijn zorgwekkend.

Zorgen

Zowel het Waarborgfonds als het Mulier Instituut constateren een verslechtering van de financiële positie van sportclubs.

Het Waarborgfonds Sport: “Voor bijna de helft van de door SWS gecontroleerde verenigingen wordt de financiële positie eind 2015 als redelijk gekwalificeerd. Drie jaar eerder werd aan ruim 30% van deze organisaties een hogere kwalificatie toegekend.”

Het Mulier Instituut: “Hoewel de meerderheid van de sportverenigingen (59%) aangeeft dat de financiële situatie gezond is, zijn er aanwijzingen dat de financiën steeds meer een punt van aandacht worden. Een aanzienlijk deel (20%) had vorig jaar te maken met een negatief saldo en een nog groter deel heeft de afgelopen drie jaar ingeteerd op de reserves (41%). De verwachtingen voor de toekomst zijn niet onverdeeld positief. Dat komt mede doordat verschillende inkomstenbronnen eerder afnemen dan toenemen.”

Deze constateringen gevoegd bij het gegeven dat de financiële positie van sportclubs in Nederland over de gehele linie naar alle waarschijnlijkheid minder goed is dan in de onderzoekscijfers naar voren komt, stemt tot zorg.