Discussie over werkgeverschap trainers

Minister Edith Schippers (foto: ministerie van VWS).
Jan Janssens
In de toekomst zal een deel van de artikelen op deze site alleen toegankelijk zijn voor leden van SportclubNL. Maar zover is het nog niet. Voorlopig kan iedereen alles gratis lezen. Ook dit artikel.

Maandag 23 november werd in de Tweede Kamer gesproken over de sportbegroting van het ministerie van VWS. Het was een weinig enerverende vergadering. Van de zestien fracties die de Tweede Kamer telt hadden slechts vijf (CDA, D66, PvdA, SP en VVD) de moeite genomen om hiervoor naar de Troelstrazaal te komen. Ale andere partijen schitterden door afwezigheid. Het journaille kwam zelfs helemaal niet opdagen. En minister Schippers maakte ook al geen geïnspireerde indruk. Plichtmatig las zij voor uit het werk van haar ambtenaren en wimpelde ze de ene na de andere motie af. De sport leeft niet op  en rond het Binnenhof, dat werd wel duidelijk. Toch kwam voor sportclubs een belangrijk punt aan de orde: de regeling van het werkgeverschap voor trainers onder de nieuwe wet Werk en zekerheid.

Stapel rapporten

Een hele stapel onderzoeksrapporten en voortgangsrapportages was geagendeerd, maar aan de meeste stukken werd geen woord vuil gemaakt. Dat zal te maken hebben met de overwegend positieve teneur van deze stukken, maar ook met het feit dat er voor de dames en heren politici ter voorbereiding van het debat wel erg veel te lezen was in erg weinig tijd. Een van de aanwezigen op de publieke tribune – die zelf ook stukken had aangeleverd -  verzuchtte: “Zou er één kamerlid zijn dat die rapporten echt gelezen heeft?”

Er werden niet of nauwelijks vragen gesteld of kanttekeningen geplaatst bij de ‘Eindevaluatie onderzoeksprogramma Sport Bewegen en Gezondheid (2004-2014)’, de ‘Kennis- en innovatieagenda sport’, het ‘Trendrapport Bewegen en Gezondheid 2000-2014’, het rapport ‘Sportverenigingen in krimpkernen’, de brief over ‘Gebruik van buitenruimte voor verschillende buitensporten’, het rapport ‘Uitgaven van gemeenten aan sport’, de resultaten van de ‘Sportimpuls’, de voortgangsrapportages van het programma ‘Sport en Bewegen in de Buurt’ en het actieplan ‘Naar een Veiliger Sportklimaat’.

Toch werd er ongeveer zes uur vergaderd. Over de nieuwe sportraad die de minister moet gaan adviseren over de betere benutting van grote sportevenementen, over zwemveiligheid en schoolzwemmen, over sportdeelname van arme kinderen en daklozen, de financiering van het nationale E-Hockeyteam, de rijksbijdrage aan het anti-dopingbeleid, de gevolgen van de Wet werk en zekerheid voor de sport, over het terugvorderen van de kosten van de bids op grote sportevenementen en over de waardering voor atleten die medailles zijn misgelopen door dopinggebruik van concurrenten.

Sportclubs en de Wet werk en zekerheid

Voor sportclubs was met name de discussie over de Wet werk en zekerheid van belang. Deze werd in de aanloop naar het kamerdebat aangezwengeld door NOC*NSF en de KNVB. Zij zijn een lobby gestart om voor de sport een uitzonderingsbepaling te krijgen in deze wet.

NOC*NSF-woordvoerder Geert Slot gaf Sportclub NL een uitgebreide toelichting hierop: “We staan er zeker achter dat het beroep van trainer/coach geprofessionaliseerd wordt wat arbeidsvoorwaarden betreft. En daar hoort voor deze beroepsgroep ook de noodzakelijke zekerheid bij. Het veel te algemene kader van de Wet Werk en Zekerheid past ons inziens echter niet op deze beroepsgroep. In de ketenbepaling, onderdeel van de Wet Werk en Zekerheid, is het aantal tijdelijke contracten beperkt tot drie contracten in twee jaar tijd. De doorbreking van de keten is verlengd naar zes maanden. Dat betekent dat werkgevers eerder een overeenkomst van onbepaalde tijd zullen moeten aangaan met hun werknemers. Hier ontstaat een knelpunt voor sportclubs. Zij willen of kunnen geen mensen vast in dienst nemen waardoor ze andere oplossingen zoeken en het risico bestaat dat ze de wet gaan omzeilen.
Trainers zijn vaak ‘passanten’ bij sportclubs. In de praktijk worden vooral eenjarige contracten afgesloten en zijn de meeste trainers binnen vier jaar naar een andere club vertrokken. De positie van de trainer kan vanuit het niets ter discussie komen te staan, zonder dat het bestuur hier invloed op heeft of alternatieven kan aanbieden. Zo kan de chemie tussen de trainer en spelers door een klein incident plotseling weg zijn. Arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd passen daardoor niet bij dit soort functies. En overeenkomsten van bepaalde tijd geven de zekerheid dat die gehele bepaalde tijd er in ieder geval financieel zekerheid is.”

Motie

Ingefluisterd door de KNVB en NOC*NSF drong CDA-Kamerlid Hanke Bruins Slot er bij minister Edith Schippers om aan om met haar collega Lodewijk Asscher van SZW in gesprek te gaan om maatwerk mogelijk te maken voor verenigingen. Ze diende daar een motie voor in.

Cao Sportverenigingen

Peter van der Aart, voorzitter van het Netwerk in de sport, het overkoepelende overleg van vijf organisaties die namens veel sportclubs als werkgever fungeren voor trainers, hoorde het vanaf de publieke tribune met stijgende verbazing aan. “Wij hebben een cao Sportverenigingen die een oplossing biedt voor dit probleem. Waarom wordt daar met geen woord over gerept? Iedereen kan zich bij die cao aansluiten. Ik nodig NOC*NSF en de KNVB van harte uit om dat te doen.”

Zes tijdelijke contracten in vier jaar

In die cao Sportverenigingen is bepaald dat een club binnen 48 maanden 6 tijdelijke arbeidsovereenkomsten mag aangaan. Dat stond al in de cao en dat blijft overeind ondanks de nieuwe wet. In de praktijk kunnen de clubs daar ook prima mee uit de voeten want gemiddeld genomen blijven trainers niet langer dan een jaar of drie à vier in dienst bij dezelfde club. Dan is de club uitgekeken op de trainer en is de trainer ook weer toe aan een nieuwe uitdaging. Hoewel bijvoorbeeld in gymnastiek en tennis er ook veel trainers zijn die veel langer voor dezelfde club actief zijn.

Simpele oplossing

Het lijkt een simpele oplossing voor een ingewikkeld probleem. De kans dat minister Asscher een uitzonderingsbepaling voor de sport zal opnemen in de wet is heel klein. Dat zou een precendentwerking hebben voor andere sectoren. Aansluiting bij de cao sportverenigingen lijkt dan ook een goed alternatief. In het Netwerk in de sport werken Sportkader Nederland, Sportservice Noord-Brabant, Sportwerkgever Fryslan, STK Drenthe en het Arbeidsloket Groningen samen. Zij werken nauw samen met sportbonden en met de Werkgeversorganisatie in de Sport (WOS) waarin ook NOC*NSF bestuurlijk vertegenwoordigd is. De organisaties van het Netwerk in de sport ontzorgen de besturen van lokale sportclubs, staan garant voor goed werkgeverschap en investeren de baten van hun activiteiten in verenigingsondersteuning. Toch ziet NOC*NSF daarin niet de oplossing.

Geert Slot (NOC*NSF) nogmaals “Wij kennen en erkennen zeker de voordelen van het netwerk. Of een vereniging zijn werkgeverschap onderbrengt bij een van de sportservice-instellingen is echter een beslissing van die vereniging zelf. Daarbij spelen veel factoren een rol. Wij zijn er daarom geen voorstander van dat het vraagstuk of je wel of niet met contracten voor bepaalde tijd mag werken, bepalend wordt voor de wijze waarop je als individuele sportvereniging je werkgeverschap hebt geregeld.
Het lijkt ons omgekeerd ook niet correct dat verenigingen die met deze instellingen werken wel 4 jaar lang contracten voor bepaalde tijd met één en dezelfde trainer af mogen sluiten, en verenigingen die er voor kiezen om het werkgeverschap zelf te regelen, dat niet zouden mogen.”

Confrontatie

De laatste opmerking wijst op een mogelijke confrontatie tussen de partijen die het allebei goed voor hebben met de sportclubs, maar het niet eens kunnen worden over de wijze waarop deze clubs het werkgeverschap het beste kunnen regelen. Wordt ongetwijfeld vervolgd.